Lezing: ‘Diversiteit en compassie. Een brug bouwen houdt soms ook een kloof in stand.’

Lezing op verzoek van ‘De Vlam’, Vrijzinnige vereniging Rhenen, november 2014

Jaren geleden, in het begin van mijn ‘carrière’ als intercultureel trainer, gaf ik een training aan een groep medewerkers van een kenniscentrum. De deelnemers kregen in toenemende mate te maken met buitenlandse onderzoekers, wat soms tot misverstanden leidde. De boodschap die mijn collega en ikzelf in de ochtend probeerden over te brengen aan de deelnemers, was dat hun buitenlandse collega’s situaties soms anders interpreteerden dan zijzelf, en dat dit deels te maken had met een verschil in hun culturele achtergronden. In de meeste gevallen kwam die boodschap goed over, maar er was een man die ons de hele ochtend tegensprak en –in trainersterminologie- nogal ‘in de weerstand zat.’ Aan het eind van de ochtend, bij wederom een moeizame discussie over cultuurverschillen, zei deze man echter iets dat me zeer aan het denken zette.

‘Ik snap het wel hoor. Je hebt van die cultuurverschillen, en die moet je allemaal maar begrijpen. Maar ik woonde vroeger hier in Amsterdam-Oost, en als ik toen door de wijk liep en langs speeltuinen kwam, zag ik allemaal vrouwen die hun kinderen in de gaten aan het houden waren. Als ik hier nu kom, zie ik ook allemaal moeders bij de speeltuinen. Alleen hebben die nu meestal een hoofddoek om. Zij hebben dus zo’n heel andere cultuur, en dat is ook prima. Maar om ze te begrijpen moet je daar dus weer helemaal induiken, in die andere cultuur, en daar heb je meestal geen zin in. Dus laat ik het maar liever zitten.’

Ik was behoorlijk uit het lood geslagen. Mijn werk kun je op verschillende manieren duiden. Maar het is veilig om te stellen dat het een van de belangrijkste doelstellingen van dit vakgebied is, om meer compassie te kweken tussen mensen van verschillende etnische, culturele en religieuze achtergronden. In dit geval was dat faliekant mislukt. Sterker nog, onze nadruk op het verschil in culturele ervaringen was voor deze man eerder een bevestiging van zijn veronderstelling dat de verschillen tussen hemzelf en moeders met een moslimachtergrond vrijwel onoverbrugbaar waren.

Toen ik werd gevraagd om een lezing te houden over culturele diversiteit en compassie wist ik al gauw welk punt ik hier wilde gaan maken. Je kunt met die twee begrippen namelijk nogal wat kanten op. Sterker nog, in zekere zin zijn compassie en diversiteit , zoals ik het zie, twee zijden van dezelfde munt. Compassie is namelijk vooral belangrijk en uitdagend, met mensen die je beschouwt als anders dan jezelf. Compassie en diversiteit horen dan een beetje bij elkaar als liefde en het huwelijk, rechtspraak en rechtvaardigheid of democratie en vrijheid. Begrippen die makkelijk met elkaar te associëren zijn, logischerwijs bij elkaar horen, maar waarbij het in de uitvoering nog wel eens uitdaging kan zijn om ze optimaal samen te laten gaan.

Ik wil me daarom op een specifiek thema richten, namelijk ‘cultuur’, of beter gezegd, ‘het cultuurbegrip’. Ik wil het dus niet zozeer hebben over allerlei culturen en hoe ze van elkaar verschillen. Ik wil het vooral hebben over de waarde die we toekennen aan het begrip ‘cultuur’ zelf. Ik heb met het voorbeeld aan het begin van deze lezing willen laten zien dat meer aandacht voor ‘cultuur’ niet noodzakelijkerwijs leidt tot meer compassie met mensen met een andere culturele achtergrond. Integendeel zelfs. Ik zie deze situatie dan ook niet zozeer als een incident, maar eerder als symbolisch voor hoe er tegenwoordig vaak wordt gedacht en gesproken over ‘cultuur’. Ik wil me daarom in deze lezing vooral richten op hoe we omgaan met dat begrip, waarom het compassie soms in de weg staat en hoe we wellicht op een meer compassievolle manier  invulling en betekenis kunnen geven aan het cultuurbegrip.

Ik kan dat niet doen, zonder me ook te richten op de samenleving en allerlei maatschappelijke ontwikkelingen. Ik denk namelijk dat ontwikkelingen in de samenleving een sterke invloed hebben op ontmoetingen en interacties op persoonlijk niveau. Discussies in de samenleving werken vaak door op straat, op school en op de werkvloer. Wat mensen in hun persoonlijk leven verstaan onder een begrip als ‘cultuur’, kan dan  niet los worden gezien van hoe daar door politici, journalisten en wetenschappers over gesproken wordt. In de samenleving is cultuur al jaren een ‘hot topic’ hooguit af en toe onderbroken om het te vervangen door ‘religie’ (en dan met name ‘Islam’). Momenteel zullen mensen dan vooral denken aan de discussie over Islamitische Staat en Nederlandse Jihadi’s, en aan de discussie over Zwarte Piet. Ik wil deze discussies graag even aan me voorbij laten gaan, althans voor nu. Ik wil het wat breder trekken, naar de discussies van de afgelopen decennia, waarin het voortdurend ging over ‘cultuur’. Het ging dan over achterlijke culturen of superieure culturen, over ‘cultureel bepaalde’ misdaden als ‘eerwraak en genitale verminking, over machoculturen en schaamteculturen en over ‘de’ Nederlandse cultuur, waar bijna een speciaal museum voor was opgericht. We leven dan ook in een tijd waarin ‘cultuur’ wordt gezien als verklaring voor een veelheid aan maatschappelijke verschijnselen. Voor een uitgebreide inventarisatie daarvan verwijs ik graag naar het boek van de antropologen Breidenbach en Nytiri, met de veelzeggende titel ‘Seeing culture everywhere, from consumer habits to genocide’.

Voor deze verkenning is het van belang om erbij stil te staan waar dat cultuurbegrip eigenlijk vandaan komt. Meestal wordt daarvoor verwezen naar de tijd van de vroege natievorming, toen romantische filosofen onder aanvoering van Johan Gottfried von Herder ideeën ontwikkelden over nationale cultuur als ‘Volksgeist’, een soort nationale persoonlijkheid, die het bestaan van een natiestaat legitimeerde en het verhief boven andere loyaliteiten als regio, religie of klasse. Vroege antropologen als Herkovitisz, Benedict en Mead betrokken deze notie van een collectieve ziel ook op niet-Westerse volkeren. Tot die tijd werd ‘cultuur’ nog vooral gezien als een gradueel begrip, waar je meer of minder van kon hebben. Dat leidde tot een overzichtelijke indeling van de wereld in ‘beschaafde’ volkeren (het ‘westen’ oftewel de koloniserende machten), half-beschaafde volkeren (Azië) en de onbeschaafde volkeren  (Afrika en de oorspronkelijke Amerikanen). Het nieuwe cultuurbegrip werd in de handen van deze antropologen een belangrijk argument voor de dekolonisatie. Andere volkeren hadden namelijk net als de kolonisatoren een eigen ‘cultuur’, die niet minderwaardig was maar anders, zoals de etnografische onderzoeken van hun gedrag en wereldbeeld aantoonden. ‘Cultuur’ was dus een belangrijk argument voor het recht op zelfbeschikking van gekoloniseerde volkeren. Uit deze periode kwam ook het ‘cultuurrelativisme’ voort, het uitgangspunt dat gedrag alleen kon worden begrepen in de eigen cultuurspecifieke context. Voor de antropologen was dit in eerste instantie een onderzoekshouding, maar het werd ook een normatieve stellingname: het beoordelen van gedrag uit andere culturen, moest daarbij zo veel mogelijk worden vermeden.

Hoewel antropologen het cultuurbegrip tegenwoordig heel anders invullen, is het deze benadering die tot vandaag de dag het denken over cultuur en cultuurverschillen bepaalt. We zien culturen dan als een soort systemen waar mensen toe behoren, en die hun denken en handelen tot op zeer grote hoogte bepalen. De komst van rijksgenoten uit de (voormalige) koloniën en van gastarbeiders en vluchtelingen naar Nederland zorgde voor grootste migratiegolf sinds de gouden eeuw en dit werd dus al snel geduid als de komst van nieuwe culturen naar Nederland en het ontstaan van een ‘multiculturele samenleving’. Uit Canada waaide het ideaal van het ‘multiculturalisme’ over, het idee van een samenleving die bestaat uit verschillende groepen met ruimte voor hun eigen cultuurbeleving, die op basis daarvan bepaalde groepsrechten ontvangen. Het moet gezegd dat dit multiculturalisme in Nederland eigenlijk maar weinig echt vorm heeft gekregen in beleid. Het is misschien veelzeggend dat een van de weinige echte voorbeelden van multiculturalisme het zogenaamde Onderwijs in eigen Allochtone Taal (OALT) was, waardoor Marokkaans-Nederlandse leerlingen die thuis Berber spraken op school elke week een paar uur les kregen in het voor hen onbekende Arabisch. Het multiculturalisme had wel veel invloed op het ‘discours’ in de samenleving, op de manier van denken en praten. Politici – van alle gezindten- spraken over het recht op de eigen cultuur, over respect voor andere culturen, integratie met behoud van de eigen identiteit, en de rijkheid van culturele diversiteit. Het werd aangemoedigd om vooral respectvol en tolerant te zijn over ‘andere culturen’ en werd er met veel voorzichtigheid gesproken over de mogelijke negatieve aspecten van bepaalde ‘culturen’. De echo van het cultuurrelativisme klonk door in uitspraken als ‘dat is nu eenmaal hun cultuur’.

In enkele gevallen leidde dit tot het goedpraten van ontoelaatbaar gedrag. Een collega van mij gaf eens een cursus aan de kinderbescherming. Een van de cursisten vertelde de telefoon te hebben opgehangen nadat een kind dat klaagde over mishandeling door zijn vader had gezegd dat hij Marokkaans was. ‘Dan kan ik je niet helpen, het hoort bij je cultuur’, had hij toen gezegd. In Duitsland is enkele jaren geleden nog een man vrijgesproken van mishandeling van zijn echtgenote, omdat dit gezien hun Marokkaanse achtergrond nu eenmaal bij hun cultuur hoorde. ‘Dat had je kunnen weten toen je met hem trouwde’, zo luidde zo ongeveer de redenering van de rechter. Dit soort excessen waren en zijn een uitzondering, maar tegelijk wel exemplarisch voor het denken over cultuur als een onvervreemdbaar recht en tegelijkertijd als een soort onveranderlijke gouden kooi waar je in geboren wordt en nooit meer uit kan.

Hoe vreemd het misschien ook klinkt, mijn stelling is dan ook dat er na 2001 in de kern weinig is veranderd in het discours over cultuur. Waar er eerder vooral in positieve termen werd gesproken over de verrijking van andere culturen, daar wordt er nu geklaagd over ‘achterlijke culturen’. Waar er eerder zeer omzichtig werd omgegaan met problemen onder of met migranten, daar is het nu bon-ton om dit gedrag te ‘benoemen’ en dit te zien als bewijs dat ‘onze’ westerse cultuur toch echt superieur is. Waar eerder de nadruk eerder lag op het erkennen van de ‘culturen’ van minderheden, daar staat nu het uitleggen (of: opleggen) van ‘de’ Nederlandse cultuur centraal. Kort gezegd, waar ‘cultuur’ eerder een aanleiding was voor respect en tolerantie omdat het nu eenmaal een onveranderlijk en onvermijdelijk onderdeel was van de identiteit en het gedrag van migranten, zo werd het ook gelijk de steen des aanstoots op het moment dat mensen hinder gingen ondervinden van het gedrag van sommige migranten dat dus onvermijdelijkerwijs ook te maken moest hebben met hun cultuur. Veelzeggend was de verzuchting van journalist Sander van Walsum in De Volkskrant vorig jaar, dat hij zich als ‘liefhebber van de multiculturele samenleving avant la lettre’ nog zo had verdiept in andere culturen via dia-avonden, de wereldwinkel en ‘exotische’ Turkse eethuisjes, maar dat dit overlast en spanningen met nieuwe bewoners niet had kunnen voorkomen.

Waar ‘cultuur’ dus ooit een argument was voor meer compassie met en gelijkwaardigheid voor gekoloniseerde volkeren, daar wordt het nu vaak gebruikt om groepen uit de weg te gaan of zelfs uit te sluiten. In de documentaire ‘Welke school?’ van Sunny Bergman uit 2010 (LINK) bijvoorbeeld, werd een vader geïnterviewd over de keuze voor een ‘witte’ school voor zijn kinderen. Hij motiveerde dat door te stellen dat hij niets had tegen die kinderen op een ‘zwarte’ school, maar dat die nu eenmaal een andere cultuur hadden dan hijzelf . Anders dan zijn cultuur, was hun cultuur namelijk niet door de Verlichting gegaan. Voor de goede orde, het ging hier over kinderen van zes jaar oud. Een nog extremer voorbeeld is de argumentatie van arabist en PVV-inspirator (wijlen) Hans Jansen, die herhaaldelijk wees op het gevaar dat moslims zich kunnen bedienen van ‘taqiyya’. Dit zou een traditie zijn die het mogelijk maakt om de ware bedoelingen te verbergen voor de vijand wanneer daarmee het eigen leven gered kan worden. We kunnen er volgens Jansen dus nooit gerust op zijn dat moslims de waarheid spreken; zelfs als zij in woord en daad de democratie en rechtstaat ondersteunen stelt taqiyya hen in staat om te liegen en ondertussen de omverwerping van het Westen te plannen. Het blijkt in de eerste plaats echter dat taqiyya vooral voorkwam onder Sjiieten, terwijl de meeste Nederlandse moslims Soennieten zijn en nog nooit van taqiyya hebben gehoord (al zouden we volgens Jansen nooit uit mogen sluiten dat ook dat een uiting van taqiyya is). Maar daarnaast is er nog een veel wezenlijker probleem met de taqiyya-discussie. Het veronderstelt namelijk dat moslims een regel als taqiyya nodig zouden hebben om te liegen onder levensbedreigende omstandigheden. Alsof ze daar, net als ‘gewone’ mensen anders nooit op gekomen zouden zijn. De enorme nadruk op cultuur (of in dit geval religie) leidt in dit geval dan ook tot een subtiele vorm van dehumanisering- het ontzeggen van menselijke motivaties en vaardigheden als het liegen onder levensbedreigende omstandigheden- aan moslims.

Ook op een kleiner en minder ernstig niveau staat een verondersteld verschil in ‘cultuur’ compassie soms in de weg. Het gaat dan om alledaagse interacties met op zichzelf vaak goedbedoelde uitspraken. Zoals de vraag ‘Waar kom je eigenlijk vandaan?’ die vanuit de vrager vaak wordt gesteld vanuit oprechte interesse, maar met de verkeerde timing en frequentie op een hinderlijke manier steeds de nadruk legt op het anders-zijn van de ondervraagde. Vooral als ‘uit Bussum’ de vragensteller niet bevredigt en deze net zolang doorgaat totdat blijkt dat ondervraagde een grootvader uit Ghana heeft en deze gerustgesteld kan verzuchten: ‘ah, je komt dus uit Ghana!’. Bij een Belgisch onderzoek naar culturele diversiteit verzuchtte een respondent eens veelzeggend dat iedereen het maar had over het recht om verschillend te zijn maar dat hij ook graag het recht had op onverschilligheid, om net als anderen gewoon op te gaan in de massa zonder dat mensen continu de nadruk legden op je veronderstelde anders-zijn.

De grote nadruk op cultuur, heeft dan tot gevolg dat we mensen en situaties gaan culturaliseren. We overschatten dan de verschillen, en onderschatten de overeenkomsten. In het beste geval zien we de ander als een representant van een exotische, maar wezensvreemde groep. In de slechtere gevallen leidt culturalisering tot het vermijden van of neerkijken op mensen met een andere etnische of culturele achtergrond. Dan wordt cultuur een excuus om je niet te verdiepen in of verbinden aan een ander persoon omdat je dat bij voorbaat toch al bijna een mission impossible lijkt, zoals voor de man in het voorbeeld aan het begin van deze lezing. Om vergelijkbare redenen heb ik een ambivalent gevoel bij op zichzelf natuurlijk zeer goed bedoelde initiatieven als interculturele of interreligieuze dialoogbijeenkomsten. Als we niet oppassen, bestendigen die het idee dat we zo verschillend zijn dat er een georganiseerde dialoog voor nodig is om elkaar te begrijpen. Het nadeel van het bouwen van een brug is dan dat deze soms gelijk een kloof in stand houdt

Maar hoe kunnen we ons dan op een compassievolle manier verhouden tot culturele diversiteit? En welke rol speelt ‘cultuur’ daar dan nog in? Moeten we dan maar ‘cultuurblind’ de wereld tegemoet treden? Dat lijkt mij ook weer niet verstandig. Zonder enige aandacht voor cultuur is het gevaar dat we gaan denken dat iedereen is zoals wijzelf. Of dat iedereen alleen maar een individu is, die op volledig rationele en objectieve basis haar eigen beslissingen neemt. Zoals gezegd zijn antropologen zelf al een hele tijd afgestapt van hun oorspronkelijke opvatting van cultuur. Onder latere antropologen bleek het traditionele cultuurbegrip niet houdbaar te zijn: cultuur als sociale factor is onmiskenbaar maar het blijkt in de praktijk een dynamisch, meervoudig en poreus geheel te zijn. Met andere woorden: het is constant in verandering, het biedt ruimte aan verschillende interpretaties en gedragingen en het staat altijd weer onder invloed van andere culturen en geeft zijn eigen invloeden weer door. Wat is dan nog de waarde van het cultuurbegrip?

In de eerste plaats wordt cultuur te vaak gezien als iets dat al af is, waar mensen toe behoren en wat mensen vormt, maar als we het zien als iets dat ook door mensen wordt vormgegeven en dat dit proces nooit ophoudt, is het nog steeds een bruikbaar concept. Ik heb er bijvoorbeeld geen moeite mee om te stellen dat er zeer problematische kanten zitten aan de cultuur zoals die bestaat onder sommige Marokkaans-Nederlandse jongemannen. Dan refereer ik niet aan ‘cultuur’ als een geïmporteerde entiteit die nooit is veranderd en volledig samenhangt met hun etniciteit, maar als een dynamisch systeem van betekenisgeving zoals dat door mensen wordt vormgegeven in een bepaalde tijd en in bepaalde omstandigheden. De cultuur van te veel Marokkaans-Nederlandse jongens, waarin materialisme, machogedrag en snelle behoefte bevrediging een prominente rol spelen kan zeer terecht worden geproblematiseerd. Maar deze is ontstaan onder specifieke sociaal- economische, maatschappelijke en psychologische omstandigheden. Compassie betekent wat mij betreft dat je dat probeert te begrijpen, om als het ware te zien hoe Nederland eruit ziet als je kijkt door Marokkaans-Nederlandse ogen, zonder je ogen te sluiten voor de problematische kanten ervan. Een reis naar het Rifgebergte is daarbij waarschijnlijk minder zinvol dan een dagje naar Amsterdam-West. Je kunt daarbij het gedrag soms veroordelen, zonder de mens erachter op te geven. Zoals de Amerikaanse burgerrechtenactivist Jesse Jackson ooit zei: ‘Never look down on anyone, unless you’re planning to help them up’.

‘Cultuur’ herinnert ons er dan aan dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat, maar dat we in die zin culturele wezens zijn, dat we altijd betekenisgeving aan de wereld moeten toevoegen om deze te begrijpen. Cultuur is dan een noodzakelijke voorwaarde om de werkelijkheid hanteerbaar, bewoonbaar en leefbaar te maken. We kunnen niet zonder. Compassie betekent dan de erkenning dat een ander vaak handelt vanuit een betekenisgeving die voor hem of haar waardevol is. Dat betekent niet dat je het er altijd mee eens hoeft te zijn, maar wel dat je er ruimte voor kan maken. Studenten die geen vakken willen volgen over de evolutieleer kun je dan bijvoorbeeld, in plaats van ze af te serveren, ook serieus nemen in hun gewetensbezwaar, maar tegelijkertijd ook uitleggen dat ze kennis kunnen nemen van de evolutietheorie zonder het ermee eens te hoeven zijn. Ik begeef me misschien op glad ijs, maar ik denk dat ook de motieven van Nederlandse jihadi’s alleen te begrijpen zijn als je hun behoefte aan betekenisgeving, of zelfs zingeving, probeert te doorgronden. Wat – uiteraard – niet hetzelfde is als deze goedkeuren.

Ik denk dat het daarbij compassie ten goede komt als we onder ogen zien dat cultuurrelativisme niet altijd meer toereikend is. In de tijd van de dekolonisering was het misschien zinvol om de wereld te zien als een soort archipel van culturele eilanden, maar in een wereld met constante interactie en ontmoeting tussen mensen en groepen schieten tolerantie en het idee van de absolute gelijkwaardigheid van culturen soms tekort. Een gesprek over bepaalde tradities of gewoontes is soms gerechtvaardigd. Een van de mooiste illustraties van cultuurrelativisme vind ik een uitspraak van de antropoloog Schweder, die stelde dat er geen objectieve maatstaf is om te bepalen wie er meer respect verdient: zij die drie goden hebben en één vrouw, of zij die drie vrouwen hebben en één god. Ik zou zeggen: je kunt het in elk geval eens aan die vrouwen vragen (er van uitgaande dat goden nu eenmaal zelden eenduidige antwoorden geven). Cultuurrelativisme stelt eigenlijk twee dingen: mensen worden bepaald door hun cultuur, en culturen zijn gelijkwaardig. De laatste jaren wordt vooral – en terecht- het tweede aspect van cultuurrelativisme betwist. Maar die eerste overweging wordt ironisch genoeg – juist door de felste anti-relativisten- stevig overeind gehouden, bijvoorbeeld om te kunnen ‘benoemen’ dat vrouwenonderdrukking een wezenlijk kenmerk van de ‘Islamitische cultuur’ is. Dat is niet alleen een impliciete vergoelijking van mensen die op basis van een religieuze argumentatie vrouwen ongelijk menen te mogen behandelen, maar ook nog eens een klap in het gezicht van Islamitische feministen die hun religieuze en culturele erfgoed wel degelijk op een vrouwvriendelijke manier menen te kunnen interpreteren. Misschien moeten we in plaats van cultuurrelativisme ‘cultuur’ zelf wat vaker relativeren, en beter luisteren naar de nuances, contradicties en soms conflicten die zich binnen elke ‘cultuur’ voordoen.

Alles overziend zou ik een lans willen breken voor een cultuurbegrip dat meer ruimte maakt voor de cultuurdragers: mensen. Mijn persoonlijke ervaring is dat met alles dat ik in de loop der jaren heb geleerd en meegemaakt omtrent cultuur en cultuurverschillen, ik vooral geleerd heb over de bijzondere eigenschappen van de menselijke soort. Culturen verschillen wat mij betreft vooral in de manier waarop ze menselijke emoties, vragen en behoeften uiten, normeren, vormgeven ofwel… cultiveren. Mijn stelling blijft echter dat onze gedeelde emotionele huishouding en onze menselijke dilemma’s en onhebbelijkheden een veel betere route tot inleving bieden dan de ander te zien als een representant van een abstracte en onbekende cultuur. Het culturaliseren van mensen en situaties zorgt er dan vaak voor dat we onze empathie en compassie in feite even parkeren, in plaats van de ontmoeting en het gesprek echt aan te gaan.
Het schrijnendste aan het voorbeeld aan het begin van deze lezing vond ik dan ook, dat de deelnemer aan mijn training niet eens de meest evidente menselijke overeenkomst tussen de twee groepen moeders bij de speelplaats had gezien: bezorgde ouders, die op hun kinderen letten terwijl ze aan het spelen waren. Ik kan niet veel dingen bedenken, die universeler zijn dan dat.
 De ultieme waarde van het cultuurbegrip is wat mij betreft dat we altijd op zoek kunnen gaan naar de mede-menselijkheid van de ander, ook als we die door onze verschillende gewoontes, ervaringen en ideeën niet meteen herkennen. Compassie is dan vaak opeens niet meer zo’n grote opgave.