Meer ambiguïteit in het racisme debat

Inmiddels woedt er al ongeveer een jaar een flinke discussie in Nederland over racisme. De aanstichter daarvan is vermoedelijk Zwarte Piet, met in zijn kielzog discussies over de aard en mate van racisme in Nederland. Nu Sinterklaas en Zwarte/ regenboog-/schoorsteen-/kleuren- Piet weer in aantocht zijn, zwelt ook de racisme discussie weer aan. Ik kan het niet laten daar ook mijn bijdrage aan te leveren, vooral omdat ik me niet goed kan vinden in de twee dominante standpunten in dat debat. Over één ding is vrijwel iedereen het eens: racisme is fout en zou geen plaats moeten hebben in onze samenleving. Maar over de rol die racisme vandaag de dag nog speelt is men het fundamenteel oneens.

Aan de ene kant van het spectrum wordt de rol van racisme in de Nederlandse samenleving ontkend of in elk geval gebagatelliseerd. Racisme is iets uit het verleden: voor de wet is immers iedereen gelijk, de slavernij is alweer een hele tijd geleden afgeschaft en openlijk racisme, in de zin van het geloven in superieure en inferieure mensenrassen wordt door vrijwel iedereen afgekeurd. Racisme wordt dan gezien als een ideologie van domme of onwetende mensen; weldenkende mensen kunnen dan ook eigenlijk geen racisten zijn en gaan ‘kleurenblind’ door het leven. Je kunt dan eigenlijk bewijzen dat je niet racistisch bent, gewoon door te zeggen dat je het niet bent.

Aan de andere kant van het spectrum wordt gesteld dat racisme in Nederland juist springlevend is. Racistische denkbeelden uit het kolonialisme en de slavernij zijn eigenlijk nooit verdwenen of veranderd, alleen worden ze vandaag de dag beter gemaskeerd. Voor blanke Nederlanders is dit niet zichtbaar (ook niet als ze zich er zelf schuldig aan maken) maar donkere Nederlanders merken dit vrijwel dagelijks. Huidskleur en afkomst zijn dan factoren die een allesoverheersende rol spelen in allerlei situaties, en racisme is niet alleen aanwezig in de attitudes van individuen maar is vaak ook nog een ‘institutioneel’; het is dusdanig in de samenleving en haar instituties doorgedrongen dat het als een bijna zelfstandige factor de ongelijkheid tussen ‘wit en zwart’ blijft reproduceren. Je kunt dan bijna bewijzen dat er racisme in het spel is, gewoon omdat je het ziet.

Ik voel me bij geen van beide standpunten thuis. Ik denk namelijk dat er, ook zonder slavernij of rassensegregatie, nog steeds veel onrecht plaatsvindt in Nederland dat te maken heeft met afkomst en huidskleur. Ik geloof dat je als witte Nederlander bepaalde ‘privileges’ hebt, waar je zelden over hoeft na te denken maar die het leven wel een stuk makkelijker maken; dat je nooit vanwege je huidskleur extra aandacht krijgt van politie of beveiliging, dat je nooit hoeft te horen dat ‘jouw soort’ nu eenmaal minder intelligent of geschikt is, en dat er eigenlijk nooit iemand je vraagt te verantwoordelijkheid te nemen voor je gemeenschap. Ik denk dat Nederlanders met een migratie-achtergrond regelmatig subtiele (‘waar kom je eigenlijk vandaan?’) en minder subtiele (‘minder, minder, minder!’) signalen krijgen dat ze er eigenlijk niet helemaal bij horen. En het is helaas aantoonbaar dat mensen puur op basis van hun naam en uiterlijk minder kansen hebben op een baan of zoiets als toegang tot een horecagelegenheid. Om dan ‘kleurenblind’ door het leven te gaan duidt op een behoorlijke naïviteit, wat pijnlijk geïllustreerd wordt door een recent Amerikaans onderzoek waaruit bleek dat zelfs blinde mensen zich bewust zijn van huidskleur. Helaas betekent ’huidskleur’ ook vandaag de dag nog meer dan gewoon de kleur van je huid.

Ik geloof ook dat dit allemaal deels voortkomt uit een historische erfenis en dat het belangrijk is om deze te bespreken. Tegelijkertijd voel ik me soms ongemakkelijk bij de manier waarop die erfenis word voorgesteld: alsof die onveranderlijk en onontkoombaar is. Het klinkt dan alsof de manier waarop er in onze samenleving met ‘ras’ of ‘afkomst’ wordt omgegaan vastligt in de Nederlandse of Westerse geschiedenis en cultuur. Er wordt vaak terecht gesteld dat  ‘de moslim’ of ‘de zwarte identiteit’ niet bestaat, maar dan is de Nederlandse ‘cultuur’ ten aanzien van racisme toch ook geen statisch of eenduidig iets? Natuurlijk, eeuwen van negatieve beeldvorming en ongelijke verhoudingen hebben onvermijdelijk hun sporen nagelaten, maar deze krijgen vorm en betekenis in de huidige samenleving. Die verschilt met zijn antidiscriminatiebureaus ‘s, ‘gemengde’ huwelijken en slavernijherdenkingen toch wezenlijk van die van 150 jaar geleden. Daarmee bedoel ik zeker niet dat er geen reden meer is om het over racisme hoeven te hebben maar wel dat dit ingewikkeld, gelaagd en soms tegenstrijdig is. Ik denk daarom dat het belangrijk is om in de discussie meer gevoel te ontwikkelen voor ambiguïteit.

Die ambiguïteit zit hem in de eerste plaats in veel uitingen en ervaringen van racisme zelf. Vooropgesteld: er zijn nog heel steeds veel eenduidige uitingen van racisme, van scheldpartijen op twitter tot en met agressie op straat. Maar veel andere vormen van racisme zijn niet zo duidelijk, laat staan bewijsbaar. Het afwijzen van een sollicitatiebrief, het doorrijden van een taxi, eruit gepikt worden bij een grenscontrole; hoe weet je daarbij of er racisme in het spel is? Als je dit allemaal nooit meemaakt, is het soms moeilijk om daar verkeerde bedoelingen achter te zien. Maar als je dit keer op keer tegenkomt, is het niet raar dat je daar achterdochtig, wantrouwend of onzeker door wordt. Dan gebeurt het natuurlijk ook wel eens dat de emmer op het verkeerde moment overloopt en de verkeerden worden beschuldigd; grote kans dat die zich vervolgens weer gaan beklagen dat die mensen die zeuren over discriminatie zich maar aanstellen. Het is dan juist de ambiguïteit van die situaties die twijfel en onduidelijkheid zaaien, zowel bij de slachtoffers – die zich continu moeten afvragen of ze wel eerlijk worden behandeld- als bij de rest van de samenleving – die zich afvragen of ze het nou ooit goed doen.

In de tweede plaats denk ik dat er ambiguïteit is waar het gaat om intenties. Er is een sterke maatschappelijke norm om racisme af te wijzen of zelfs te bestrijden. Vrijwel niemand noemt zich nog een racist: dat zijn immers mensen met puntmutsen of hakenkruizen. ‘Racisme’ slaat vandaag de dag dan vaak  ook niet op een openlijk beleden en consequente ideologie, maar eerder op situationele uitspraken of handelingen. Het ingewikkelde is dan dat mensen soms ondanks de beste bedoelingen, door onbewuste vooroordelen, opportunisme of zelfs onhandigheid toch dingen doen die belediging, uitsluiting of zelfs vernedering tot gevolg hebben. Het komt helaas dagelijks voor. De manager die graag meer diversiteit wil maar een kandidaat weigert omdat hij bang is dat hij ‘niet in het team past’ vanwege diens accent en uitstraling. Een amateurvoetballer die de spits van de tegenstander na zijn derde doelpunt uitscheldt voor ‘kankerneger’ maar na de wedstrijd weer gezellig op stap gaat met zijn Surinaamse teamgenoten. De docente op een gemengde school die ‘s-avonds onderweg naar huis in een reflex haar tas stevig vastgrijpt, als de rechtenstudent na een avond blokken tegenover haar komt zitten. De buurman die vertelt dat hij liever naar zwarte jazzmuzikanten luistert ‘omdat negers nu eenmaal een beter gevoel voor ritme hebben.’ Het zijn geen handelingen van verstokte racisten, maar van ‘gewone’, vaak zelfs welwillende mensen die beïnvloed worden door stereotypen en beeldvorming op basis van afkomst. De ambiguïteit is dan dat racisme kan (voort)bestaan in een samenleving waarin de meeste mensen er een hekel aan hebben.

En tenslotte is de rol en aard van racisme vaak ambigu en niet eenduidig. Huidskleur en afkomst doen er vaak toe, maar zijn niet allesoverheersend; er zijn zat situaties waarin sociale klasse, sekse, leeftijd of zelfs muziekvoorkeur een grotere rol spelen dan etniciteit. De enige vrouw in een divers team die door alle collega’s wordt buitengesloten wanneer het over technische zaken gaat. De jongste speler in een voetbalteam die door spelers van alle achtergronden wordt gepest en buitengesloten. Of de blanke breakdancer die juist van iedereen respect krijgt vanwege zijn skills. Een lichte huidskleur biedt daarbij gemiddeld zeker privileges ten opzichte van een donkere huidskleur. Maar een donkere hoogopgeleide, fysieke gezonde man met een goede baan en dito inkomen is op veel fronten meer geprivilegieerd dan een werkloze, gehandicapte blanke vrouw, hoewel dat in sommige situaties weer omgekeerd kan zijn (bijvoorbeeld als beiden door de grenscontrole moeten op Schiphol). Daarnaast komt racisme ook voor tussen mensen uit minderheidsgroepen onderling (al dan niet op basis van een historisch bepaald ‘wit’ normbeeld, maar dat kan toch evenmin een excuus zijn als bij ‘wit’ racisme). Soms kunnen de dader- en slachtofferrollen zelfs omdraaien en worden blanke mensen in situaties uitgesloten, bijvoorbeeld als ze niet mee mogen praten over racisme of Zwarte Piet, of wanneer wordt gesteld dat blanke mensen geen zwarte muziek als hiphop of jazz zouden mogen of kunnen maken. De maatschappelijke en emotionele impact daarvan is geenszins te vergelijken met de discriminatie die ‘allochtonen’ krijgen te verduren, maar uitsluiting is het evengoed. De ambiguïteit zit hem er dan in dat de rol van afkomst en daarmee van racisme vaak afhangt van de situatie en de context.

Voor dergelijke grijstinten is in het huidige racisme debat weinig ruimte, en dat vind ik jammer. Ik geloof dat we om hedendaags racisme te kunnen bestrijden, het onder ogen moeten zien in al zijn complexiteit en tegenstrijdigheden. Ik denk dat het daarbij niet helpt om mensen van de ene kant te beschuldigen van ‘slachtoffergedrag’ of van de andere kant weg te zetten als onverbeterlijke ‘dader’. Ruimte voor ambiguïteit en complexiteit rondom racisme nodigt daarbij meer uit tot reflectie en dialoog dan polemiek en gepolariseer. De strijd tegen racisme is (meestal) geen strijd meer tegen wetgeving of beleid, maar tegen attitudes, beelden en patronen. Daarvoor moet het hoofd worden geraakt maar vooral ook het hart. Juist in het niet-weten, in het leven met tegenstrijdigheden en ambiguïteit, in het onder ogen zien van complexiteit zit onze menselijkheid. Die menselijkheid is ons grootste wapen tegen racisme.