Ook in de Bijlmer wonen nette mensen

Gepubliceerd in: Trouw, 23 mei 2009

Robert Vuijsje heeft volgens velen met ’Alleen maar nette mensen’ een bijzonder geestig en knap geschreven boek gepubliceerd. Ik ben een matige literatuurkenner, maar geneigd het met hen eens te zijn. Vuijsje zou ook een treffend beeld hebben geschetst van de multiculturele samenleving in het algemeen en van de Bijlmer in het bijzonder. Dat klopt dan weer niet en daar, durf ik te zeggen, weet ik wel wat van. Ik woonde er de eerste 21 jaar van mijn leven, kom er nog regelmatig en heb er zowel professioneel als persoonlijk de nodige contacten.

Als je bent opgegroeid in de Bijlmer, krijg je daarop van mensen soms de gekste reacties. Zo vertelde een meisje uit het Gooi me ooit eens in een café, dat ze op school een schoolreisje hadden gepland naar Amsterdam, waarbij ze ook even een tussenstop zouden maken in de Bijlmer. Ze bekende er weken van tevoren van te hebben wakker gelegen, in de zekere wetenschap dat ze bij het verlaten van de bus onmiddellijk op klaarlichte dag zou worden aangerand. Zelfs een opdrachtgever verzuchtte laatst tegen een collega van me, dat hij het toch maar raar vond, een autochtone Nederlander die zo lang vrijwillig in Zuidoost had gewoond. Beiden zouden hun mening niet hebben herzien na het lezen van ’Alleen maar nette mensen’.

Vuijsje beschrijft op uiterst humoristische wijze twee extremen uit de Amsterdamse samenleving: het intellectuele Joodse upper middle class milieu van zijn ouders, en het milieu van Surinamers en Antillianen uit de volksklasse. De tegenstellingen daartussen beschrijft hij op treffende en soms hilarische wijze; ook ik zat regelmatig hardop te lachen.

Dat hij daarbij voortbouwt op een eeuwenoud stereotype beeld van zwarte mensen als kinderlijk, agressief, en vooral hyperseksueel is daarbij wel wat dubieus..

Je zou echter met enige goede wil nog kunnen zeggen dat Vuijsje bewust karikaturen gebruikt om een tegenstelling te creëren, tussen de kwaliteitskranten lezende, concertgebouw bezoekende ’nette mensen’ uit zijn omgeving en de hedonistische, impulsieve en a-intellectuele mensen die hij tegenkomt in de Bijlmer. In proza moet er nu eenmaal wat ruimte te zijn om met stereotype beelden te spelen, en later we ervan uitgaan dat de gedachten van een schrijver en zijn hoofdpersonage nooit helemaal samenvallen.

Dat het boek in de media veelvuldig wordt onthaald als een waarheidsgetrouwe afspiegeling van de Bijlmer, en sommigen de verzuchting ontlokt dat er ’eindelijk eens een realistisch portret van de multiculturele samenleving’ mee wordt geschetst, is echter zorgelijk. Alleen maar nette mensen’ is zo ongeveer zo representatief voor multicultureel Nederland als ’Ik Jan Cremer’ dat is voor het Nederland van de jaren ’60.

In het boek gaat het vooral over de vrouwen in de Bijlmer. Er zouden twee soorten zwarte vrouwen zijn: de materialistische, seksueel zeer actieve, laagopgeleiden en de intellectuele, hoger opgeleide ’bounties’. De eersten worstelen met veelvuldig vreemdgaande zwarte mannen, hebben geen baan maar wel zoveel kinderen als ze exen hebben, eten alleen fastfood en lenen zich voor orgies in kelderboxen.

Het andere type zoekt haar heil bij blanke mannen, draagt saaie kleding en bezoekt vaak slavernijlezingen. Hoewel er voor beide typeringen genoeg mensen zijn te vinden die er aan voldoen, zijn er in het echt natuurlijk wel tientallen verschillende soorten zwarte vrouwen. De meest voorkomende soort, de ’normale’ hardwerkende of –studerende komt in het boek niet voor.

Vrijwel alle vrouwen in het boek zijn alleenstaande moeders, maar over de daadwerkelijke dagelijkse dilemma’s die zij tegenkomen lees je in het boek niets terug. Over het combineren van werk, school, de opvoeding van de kinderen en de rol van de vader daarin, bekommeren ze zich in het boek in elk geval niet. Over beltegoed, invlechthaar en bacardi breezers des te meer.

Zwarte mannen in het boek interesseren zich alleen voor seksuele escapades en nieuwe autovelgen, en spelen hooguit computerspelletjes om de tijd te doden. Zwarte vrouwen die zich wel intellectueel hebben ontwikkeld worden in het boek afgeschilderd als ’niet echt zwart meer’. Je bent blijkbaar alleen echt zwart als je dom, oversekst en ambitieloos bent.

Gezien de beeldvorming van de Bijlmer, die dit boek weer bevestigt, is het niet raar dat mensen niet van me aan willen nemen dat ik er toch echt een bijzonder gelukkige jeugd heb beleefd. Ik kan me nog goed herinneren dat mijn moeder me rond mijn zesde moest uitleggen dat de rest van Nederland er heel anders uitzag dan Amsterdam Zuidoost. Ik vond het al zo verwarrend dat de mensen die (toen nog) buitenlanders werden genoemd, zo in de meerderheid waren ten opzicht van de ’Nederlanders’ in mijn directe omgeving. Geloof het of niet, ik heb het nooit als problematisch ervaren.

De Bijlmer is dan ook veel meer dan de rake karikaturen uit het boek. De Bijlmer is ook: een Evangelische Broederschapskerk met alleen maar Surinaamse leden en een Belgische voorganger. De fanatieke cricketers van Pakistaanse afkomst die regelmatig oefenden in het park, en toen ze besloten mee te doen met de reguliere competitie, alle ’Nederlandse’ teams van het veld speelden. De Bijlmer is ook: een karate-interland tussen ’Suriname’ en ’Nederland’, waarbij het laatste team een Turkse-Nederlandse coach en een Marokkaans-Nederlandse deelnemer heeft.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in de Bijlmer geen problemen zijn. Er komen schrijnende situaties, grote armoede en criminaliteit voor. Maar tussen de uitersten die Vuijsje zo raak beschrijft, bestaat ook een groeiende Surinaamse, Antilliaanse en Ghanese middenklasse die dankzij de recente stadsvernieuwing in het stadsdeel blijft, of er weer terugkomt.

’Alleen maar nette mensen’ is een vermakelijk en soms herkenbaar boek. Het gevaar is echter dat mensen zullen concluderen dat bestaande tegenstellingen het gevolg zijn van onneembare culturele barrières, zonder ooit in de Bijlmer te zijn geweest. Ze zullen niet snel geneigd zijn er zelf een kijkje te nemen. Tenzij ze dezelfde smaak als de hoofdpersoon van Vuijsje hebben.